De Heren van Havot: jong geleerd oud gedaan

Misschien dat de heren donderdag dachten: dat is kat in ’t bakkie. De tegenstander was jong en onervaren. En al heeft de jeugd de toekomst, die toekomst was er vanavond nog niet. Wat dat betreft hadden de heren ook meer aan het heden; zij wisten immers uit eeuwenlange ervaring: zo gewonnen, zo geronnen. In stilte waren ze bereid hun tegenstanders te vertellen dat wat in het vat zit niet verzuurd, maar voor hen gold “hebben is hebben en krijgen is de kunst”.

Deze bespiegelingen lijken misschien te slaan als een tang op een varken, maar voor wie meer van volleybal weet geldt dat psychologie daar grote invloed heeft. Want wee wie het te hoog in hun bol hebben, zij zouden moeten weten dat hoge bomen veel wind vangen. Maar ook niet goed die zich zelf onderschatten: zij zouden gemakkelijk het paard achter de wagen kunnen spannen en zich de kaas van het brood kunnen laten eten.  We willen hier zeker geen spijkers op laag water zoeken maar hoe vaak komt het niet voor dat de geest heel gewillig is, maar dat het vlees daar vreemd achteraan kreupelt.

Wat de kat in het bakkie aangaat, in de eerste set leek het die kan op te gaan. Zonder de sterren van de hemel te spelen, wisten de Heren van Havot redelijk vlot de buit binnen te halen. Hier en daar haperde soms even de opvang bij de serve van de tegenstander, alsof deze oudgedienden nog niet wisten dat wie volleybalt de bal kan verwachten. Maar men trok aan het langste eind en vol goede moed de tweede set binnen. Eilaas, een goed begin is het halve werk en aangezien dat begin door de tegenstander werd verricht, kwam alles deze tweede set ook voor hen in kannen en kruiken. Voor de Havottenaren geen kat in het bakkie, het dier dreigde te veranderen in een kater. En wie zit nu te wachten op een kater.

De Havotheren begrepen dat al te goed is buurmans gek is, dat zij een bok zouden schieten en de zegepraal met de noorderzon zouden zien vertrekken, wanneer zij niet uit een ander vaatje zouden tappen.  Niet van plan achter het net te vissen en in hun hemd te komen staan, bonden ze de kat de bel aan en maakten korte metten en geen half werk. Al ging het niet zonder slag of stoot en van een leien dakje, de derde set werd hun prooi. Overtuigd van het feit dat jong geleerd oud gedaan is, gingen in de vierde set alle remmen los. Met hart en ziel en zonder zich het vuur heel erg uit de sloffen te hoeven lopen, zorgden de Havotbroeders er voor dat de laatste loodjes de zwaarste niet waren. Ze sloegen spijkers met koppen en maakten dat zij aan het einde van het liedje niet blij hoefden te zijn met een dode mus maar in de gezegende omstandigheden kwamen om vier punten in de knip te doen. Waarvoor hulde, waarvan acte, waarop amen.  (Havot – Kwiek: 3 – 1)