De Heren van Havot: wie zoet is krijgt lekkers..

De temperatuur begint voorzichtig met wintervingers over de ruggen te strijken. De eerste aanzetten van de ijzige decemberkoning en zijn nakomelingen, de januariijskeizer, de februarivorstvorst en de maartkouwekikkerprins, doen de storm- en regenachtige stuiptrekkingen van vorige week bijna vergeten. Nog is het november maar morgen is dat over. Alles heeft immers een einde en alleen een worstje heeft er twee.

Sint Maarten is alweer voorbij geschuifeld met z’n lampionnetje en z’n halve jas en dat vreemde gezing (de koeien hebben staarten – alsof ik dat niet weet – en de meisjes hebben rokjes aan – allang verleden tijd. We weten vandaag-de-dag maar al te goed wie de broek aan heeft) en Sint Nicolaas is weer in ’t land gekomen. Met een stoomboot natuurlijk en daarna op een sneeuwwit paard met vlekjes als het kan! En dus bléren angstige kinderstemmetjes weer dat de maan door de bomen schijnt (gebeurt heus wel vaker) en dat er vreemdelingen op de deuren kloppen (ook geen onbekend verschijnsel) die verdwaald zijn zeker (vaak tegen hun eigen wil) en die nou hun naam moeten noemen (vreemd, je zou denken, je ziet meteen dat het de Sint is. Signalement: een man in een jurk, niet een meid maar wel een mijter op zijn hoofd. Wat doet denken aan die bisschop die voor zijn bed staat en verzucht: nou eerst die meid er af. Of was dat toch mijter?)

Op de daken rijdt dus iemand zonder ventvergunning (’t is ook geen vent, maar een kapoentje. Daarom is het dus ook geen echte vent en krijgt ie geen ventvergunning, dat krijgen alleen echte venten), vergezeld van Pietermannen die je liever in een andere vorm in je schoen zou vinden. Pietermannen waar de laatste tijd zoveel om te doen is dat het je zwart voor ogen wordt. Ouders bestormen speelgoedwinkels om via kadootjes te proberen hun nageslacht weer een jaar zoet te houden. Immers: wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe (wat dat ook maar moge zijn). En die Sint ieder jaar maar weer een nog grotere zak aanschaffen om al dat spul in op te bergen. Wat een zak …. het is crisis en hij gebruikt volgens mij nog niet eens de zak van vorig jaar.

Dat komt maar aan, dat schrijdt maar over de straatstenen, dat rijdt maar over het asfalt, dat strooit en dat gooit maar pepernoten en ander de werkgelegenheid van tandartsen bevorderde troep op de stoep. Maar dit artikel gaat over de Heren van Havot en wat hebben die Heren te maken met de heer Sint (een minder man, denk ik dan). Je zou het zo kunnen zien. Havot 1 speelde afgelopen donderdag tegen Grado en die laatsten gingen niet het schip in. Misschien was het wel de stoomboot. Het schip was deze keer bestemd voor de Havotboys. De heren deden hun stinkende best (mondkapjes voor), al kun je niet zeggen dat ze het dak er af speelden. Wat ook wel weer sociaal is, want stel je voor dat die tabberdman daar rondschimmelt met dat zwarte spul, dan heb je zo een proces-verbaal aan de broek wegens het ten val brengen van sinten en pietermannen. Als je een klokhuis weg gooit, ben je immers al zwaar de pepernoot in dit land! (hoe zwaar zou de boete eigenlijk zijn als je pepernoten weg gooit?).

Nee, het was nog niet van een niveau om naar de fijnbesnaardere dichterspen te grijpen of om het schilderspenseel ter hand te nemen ten einde de Havotbroederschap op het woordenschild te heffen of op het witte doek te slingeren en de kopieën daarvan bij bossen te verkopen zodat kleine meisjes die in hun schoen kunnen vragen in ruil voor een wortel of zo. Maar verliezen met 2-3 is niet heel verkeerd en twee punten in de zak, wat wil de Havotmens nog meer? De Heren van Havot zullen wel denken: wie zoet is krijgt lekkers, bij voorkeur van de Hertog die Jan wordt genoemd. En dan maar weer op huis aan terwijl de eerste aanzetten van de ijzige decemberkoning….
Jaep van der Wal