De Heren van Havot: Dagbrakers

De bomen groeien niet tot de hemel. Het is een bekend verschijnsel, een spreekwoord en ook een prettig gegeven. Immers, waar de bomen tot de hemel zouden groeien, zou het hier hele tijden donker zijn. Al het gebladerte zou de hemel mogelijk verduisteren en de dingen die we normaal in de schemering doen, zouden we dan in complete duisternis moeten verrichten. Het zou de kinderen van de nacht mogelijk als muziek in de oren klinken, maar voor ons dagbrakers…..Het zonlicht zouden we minder zien, de stranden zouden ontvolkt raken en zonnepanelen alleen nog te gebruiken als spiegel. Zonnebrillen zouden vervangen worden door nachtkijkers. De maan zou helemaal verdwijnen. Zij is immers een hemellichaam dat licht ontvangt van de zon en als je de zon als minder zou zien…. Geen maan! Waar moeten verlichte stelletjes nog bij dromen, waar halen de zoetgevooisde minnedichters en liedjeszangers hun inspiratie vandaan en hoe moet het mannetje op de maan overleven. En hoe komt het dan met Sinterklaas? “De Heren van Havot: Dagbrakers” verder lezen

De Heren van Havot: jong geleerd oud gedaan

Misschien dat de heren donderdag dachten: dat is kat in ’t bakkie. De tegenstander was jong en onervaren. En al heeft de jeugd de toekomst, die toekomst was er vanavond nog niet. Wat dat betreft hadden de heren ook meer aan het heden; zij wisten immers uit eeuwenlange ervaring: zo gewonnen, zo geronnen. In stilte waren ze bereid hun tegenstanders te vertellen dat wat in het vat zit niet verzuurd, maar voor hen gold “hebben is hebben en krijgen is de kunst”.

“De Heren van Havot: jong geleerd oud gedaan” verder lezen

De Heren van Havot: Havot en de reden van omslag

“Omzien in verwondering” is de titel van een boek. Het zou ook de beschrijving kunnen zijn van de terugblik op de donderdagse volleybalwedstrijd van de Havotse broederhood of men. Immers, een eerste set verloren en de tweede ook, de derde nipt gewonnen (24-26) en de vierde nipt verloren (27-25). Edoch, wat blijft is de smaak van het vertoonde spel, is de vraag naar het waarom, is de verwondering naar de reden van omslag, is de zoektocht naar het breekpunt ergens in de tweede set. Vanwaar de krampacht, de soepelloosheid, de ondertuigendheid van eigen kunnen in de eerste twee sets? Moeten wij de oorzaak zoeken in angst om te verliezen of zijn we domweg bang om de victoriehaan te horen kraaien? Is een joechhei aan zegepralende geluiden niet aan Havot besteed? Was het in de derde set de som der leeftijden die het verschil maakte (immers, duidelijk hoger dan de eerste twee)? Was het een kwestie van hoog onderwijsgehalte die meer lijn in het spel deed komen naarmate de nummering van de sets omhoog liep? Of moet men het juist van de andere zijde benaderen en stellen dat naarmate de wedstrijd vorderde de bank steeds beter bezet werd met lieden die de juiste aanwijzingen konden geven waardoor het ook in het veld beter ging lopen? Of zoeken we aan de verkeerde zijde van het net en moeten wij zoeken aan gene zijde en stellen dat juist het tanende vertrouwen van de tegenstander er voor zorgde dat het spel der Havotianen niet-tanend was maar juist omgekeerd evenredig aan? Waar moeten wij zoeken, temeer daar oorzaken als wel of niet brildragend, baardhebbend en schedeldoorschemerend geen juiste maatstaf bieden? Of is het toch de leeftijd die langzaam op gang komend langzamerhand steeds meer weerstand weet te bieden tegen het mogelijk ietwat jongere, dus minder ervaren, andere team? Is het een kwestie van de diesel die op gang is als de wedstrijd zijn einde vindt? Werd het Havotteam lichter naarmate de wedstrijd voortschreed?

“De Heren van Havot: Havot en de reden van omslag” verder lezen

De Heren van Havot: harthorend

Soms, al volleyballend, zie je soms iets of iemand, waar ik best een hartig woordje mee zou willen spreken. Maar vaak heb ik dan het hart niet of ik strijk met de hand over het hart. Soms zou ik iemand een hart onder de riem willen steken, omdat ik diegene een warm hart toe draag. Ik zou dan van mijn hart geen moordkuil maken: ik zou juist hem of haar op het hart willen binden om wát ik zeg ter harte te nemen want ik heb het hart op de goede plek, al is dat niet op de tong en mijn hart is niet van steen en er zijn dingen die mij na aan het hart liggen. Maar vaak zinkt mij het hart in de schoenen. Dan heb ik een klein hartje: men mocht eens denken dat ik het hart hoog draag, dat ik wát ik zeg niet in hart en ziel en nieren meen, dat ik de ander niet ter harte neem of dat ik geen hart in mijn lijf heb.

“De Heren van Havot: harthorend” verder lezen

De Heren van Havot: wie zoet is krijgt lekkers..

De temperatuur begint voorzichtig met wintervingers over de ruggen te strijken. De eerste aanzetten van de ijzige decemberkoning en zijn nakomelingen, de januariijskeizer, de februarivorstvorst en de maartkouwekikkerprins, doen de storm- en regenachtige stuiptrekkingen van vorige week bijna vergeten. Nog is het november maar morgen is dat over. Alles heeft immers een einde en alleen een worstje heeft er twee.

“De Heren van Havot: wie zoet is krijgt lekkers..” verder lezen